Jeg finner nok frem

Laatst viel ik in op een afdeling waar ouderen verzorgd worden. In de verpleegkundige overdracht krijg ik te horen dat de avond ervoor een van de cliënten vrij plotseling is overleden en dat de overige bewoners nogal ontdaan zijn van dit bericht. Zelf schrik ik ook; een week eerder had ze me nog haar levensgeschiedenis verteld.
Tijdens het avondeten komt haar overlijden ter sprake. Door haar dood wordt iedereen zich weer bewust van zijn eigen sterfelijkheid en komt het verdriet over alle mensen die ze in de loop van hun leven hebben verloren weer heel dichtbij. Ouders, broers, zussen, vrienden. Partners en kinderen. Allemaal zijn ze het er over eens dat het voor de achterblijvers het ergste is, want die hebben te dealen met verdriet en gemis.

Opeens schiet me een Noors gedicht te binnen dat ik ooit eens uit mijn hoofd heb geleerd voor een toneel voorstelling. Hoewel mijn performance het theater nooit heeft gehaald, was ik destijds erg geraakt door de liefde die uit de woorden spreekt. Geen verdriet over verloren geliefden, maar dankbaarheid omdat zij het onbekende pad zijn voorgegaan. Geen angst om te sterven, maar weten dat geliefden de weg voor je hebben verkend.

Terwijl ik aan tafel het gedicht reciteer, schieten de tranen me in de ogen. Als mijn cliënten zien dat de zuster ook maar een mens is, daalt er een warme stilte neer. Een stilte waarin leeftijd, relatie en lichamelijke gesteldheid wegvallen. Een stilte waarin we ons allemaal verbonden voelen met elkaar en onze overleden geliefden. Een stilte waarin we voor een moment de eenheid vinden.

Døden er ikke så skremmende som før.
Folk jeg var glad i
Har gått foran og kvistet løype.
De var skogskarer og fjellvante.
Jeg finner nok frem.

De dood maakt me niet zo benauwd meer.
Mensen die ik liefhad
Hebben vóór mij het pad gebaand.
Zij kenden de bossen en bergen.
Ik vind het vast wel.